Copyright H.E. Schoonekamp. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet gekopieerd en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel.

vrijdag 1 september 2017

Politieblog. Leef!

Mei 2014. Ik ben 12,5 jaar in dienst. Ik krijg een penning, een bos bloemen en voor de afdeling is er gebak. Van mijn teamchef krijg ik een fles cava, verpakt in cellofaan met een lint eromheen. 
Een half jaar later trouwt mijn broer. Ik mag getuige zijn, een hele eer. De getuigen krijgen de mooie pen waarmee getekend is cadeau. En ook een fles wijn met een speciaal gemaakt etiket als bedankje.

December 2016. De beide flessen staan onaangeroerd op de keukenkast. De pen ligt opgeborgen in de kast. Wijn is lekker, schrijven fantastisch. Maar ik vind het simpelweg zonde om de wijnen te drinken of de pen te gebruiken. Deze bewaar ik voor bijzondere gelegenheden. 
Waren die er dan niet de afgelopen twee jaar? Zeker wel. Meer dan genoeg. Zo heb ik mijn droomreis gemaakt. Staan mijn teksten ineens in landelijke kranten. Werd ik tante. Familie en vrienden lagen in het ziekenhuis, maar iedereen kwam er zonder blijvend letsel uit. Kan ik echt het verschil maken voor kinderen in een tehuis in Peru. En -misschien wel de beste reden om die twee flessen te openen- werd ik heftig verliefd en kwam ik er achter dat ik niet zijn enige was. Kortom, redenen genoeg de afgelopen twee jaar om zo’n fles open te trekken. Toch heb ik het niet gedaan. Geen reden was goed of mooi genoeg. De pen heb ik nooit gebruikt omdat ik bang was deze te verliezen. En zo ligt er ook al twintig jaar een zilveren armband in een doosje. Cadeau van mijn vader voor mijn zestiende verjaardag. En een gouden ring van mijn grootouders, gekregen toen ik vierentwintig werd. Beiden nooit gedragen. 

Ik zit thuis achter de laptop. Onwillekeurig denk ik terug aan een onderzoek met een collega, een aantal jaren geleden. 
Een seniorenwoning. De bejaarde man zit ontroostbaar aan de keukentafel. Bij hem zijn twee dochters en zijn kleinkinderen. De kleinkinderen hebben mijn leeftijd. Hun oma, de echtgenote van de bejaarde man, ligt dood in de gang onderaan de trap. Bij zo’n overlijden doen wij altijd onderzoek, samen met de forensisch arts. Tijdens dit onderzoek zijn politieagenten bij de familieleden. Ze staan hen bij, maar moeten ook noteren wat er is gebeurd. De familie heeft verteld dat ze bij elkaar in de keuken zaten. De vrouw is naar boven gelopen om de wasmachine aan te zetten. Ze hebben haar naar boven horen lopen. Even later hoorden ze dat zij van de trap viel. Zij zijn meteen gaan kijken en zagen haar toen levenloos onderaan de trap liggen. Hulpdiensten zijn gebeld, maar konden niks meer doen voor de vrouw. Uit ons onderzoek met de arts blijkt dat de vrouw een hartstilstand heeft gekregen. Daarom is zij gevallen, ze heeft het zelf niet eens meer gemerkt. Geen misdrijf dus. 

Wij leggen met de arts onze bevindingen uit aan de familie. Dat de vrouw niks heeft gemerkt is voor hen een fijne gedachte. Het horloge, de armband en de ketting die de vrouw droeg geven we aan de man. Hij neemt het aan, hoofdschuddend. 
‘Ze heeft zoveel mooie sieraden. Het gouden horloge van haar moeder. De armband die ik haar gaf toen we vijfentwintig jaar getrouwd waren. Een ketting van de kinderen. Wat ze nu droeg is goedkope rotzooi. Ze wou de mooie dingen niet dragen, bang om ze te verliezen, bang dat het kapot zou gaan. Zelfs vanavond, een gezellige avond thuis met de hele familie, droeg ze niet haar mooiste jurk. En ook niet de sieraden. En nu kan het niet meer...’  De oude man barst in tranen uit.


Ik zie de flessen op de keukenkast staan. Ze staan er al zo lang, dat ik ze eigenlijk al niet meer echt zie. Nu ineens wel. Ik loop naar de kast en pak het kleine sieradendoosje met daarin de armband van mijn vader en de ring van mijn grootouders. Beiden doe ik om. De pen pak ik ook uit de doos en ik schrijf er mee. De flessen laat ik nog even staan. Ik besluit binnenkort wat goede vrienden en familie uit te nodigen. Dan open ik de flessen wel en draag ik mijn mooiste jurk. Met een hele speciale reden. Om het leven te vieren. 



Zonder mijn toestemming mogen mijn teksten niet gekopieerd en gebruikt worden. Delen via de bestaande link op social media mag uiteraard wel. 

zondag 20 augustus 2017

Brief aan fruitvliegjes.

Beste fruitvliegjes. Wij moeten nodig praten. Al is de tijd van praten eigenlijk al wel voorbij. Want jullie luisteren niet. Nou heb ik ook nooit oortjes bij jullie kunnen ontdekken, maar toch.

Het wordt tijd dat jullie het verschil leren tussen “mijn en dijn”. Ik snap hoe jullie aan de naam fruitvliegje zijn gekomen. Jullie houden van fruit. Ik ook. En daarom verstop ik in de zomer mijn fruit in de koelkast. Dat dit nu geen geheim meer is voor jullie, dat is niet zo erg. Jullie kunnen met die kleine pootjes de koelkast toch niet openen. Dat jullie lekker smikkelen en smullen van de schillen in de groene container vind ik prima. Eet smakelijk. Maar blijf daar dan ook. Ik heb binnen namelijk helemaal niks voor jullie, daar zorg ik wel voor. Ik ruim op, was af, leeg de prullenbak en maak schoon. Alles om jullie buiten de deur te houden.

Helaas. Zo af en toe heb ik kennelijk toch iets wat jullie blijkbaar heel erg lekker vinden. En daar moeten we het dus even over hebben. Want dat is iets wat ik ook heel erg lekker vind. En wat ik absoluut niet bereid ben te delen met jullie. En dat is wijn. MIJN wijn dus.

Zo af en toe kan het. Gewoon op de bank met een glaasje rode wijn. Heerlijk. Maar dat gevoel duurt niet lang. Want binnen enkele minuten cirkelt één van jullie rondom mijn glas. En die ene fruitvlieg roept vervolgens de rest van de familie. En voordat ik een glaasje wijn inschonk zag ik geen enkel fruitvliegje, in no-time zijn er een stuk of tien m’n huisje binnengevlogen. En alle tien doen serieuze aanvallen op mijn wijn. MIJN wijn dus hè, niet jullie wijn. 

Ik sla de wijn niet achterover, da’s zonde. Wijn is voor een rustig moment, om van te genieten. Dus als ik de wijn even wegzet, dek ik het glas af. Ondertussen roepend dat jullie weg moeten gaan, al wapperend met m’n handen om jullie weg te jagen. Zinloos. Want er is altijd wel een fruitvliegje dat zich toch in de wijn stort en gulzig drinkend zich tegoed doet aan mijn wijn. Meestal ben ik snel genoeg om de dronken fruitvlieg met m’n vinger uit het glas te vissen en deze buiten vrij te laten voor het beest een gelukzalige dood sterft in de rode wijn. Ja buiten, want die fruitvlieg gaat binnen ongetwijfeld nog een aanval doen. En ik ben heel erg vegetarisch hè, ik drink jullie niet op en maak jullie ook niet dood. 

Voor elk slokje heerlijke wijn dat ik drink, moet ik eerst grondig het glas bestuderen of er geen fruitvliegje in zwemt. Wég is mijn fijne op-de-bank-met-een-lekker-wijntje-moment. Als ik koffie, thee of sinaasappelsap drink zie ik jullie nooit, enkel op de wijn komen jullie af.


Beste fruitvliegjes. Die wijn is van mij. Donder op. Luisteren doen jullie niet, jullie wegwapperen werkt ook niet. Deze krant, die gaat wel helpen. Want als jullie dit niet lezen, dan rol ik em op. En vegetarisch of niet, dierenliefhebber of niet, ik mep jullie allemaal naar de eeuwige wijnvelden. Want die wijn is mijn. En niet dijn. Jullie zijn gewaarschuwd…

Dit verhaal is geplaatst in Contact Zutphen-Warnsveld. 

woensdag 14 juni 2017

Politieblog. Onverwachte hulp.

Aan het begin van de middag ben ik net klaar met het laatste sporenonderzoek. Ik mag terug naar het politiebureau om het schriftelijk werk te gaan doen. Al rijdend op de A1 hoor ik dat de meldkamer een politiewagen naar een inbraak stuurt. Ik ben in de buurt en rijd er ook meteen heen.

Ik kom tegelijk aan bij de woning met de collega van de noodhulp. En zie dat de woning een seniorenwoning is. Zodra we onze voertuigen geparkeerd hebben worden we hartelijk ontvangen door twee hoogbejaarde dames en een hoogbejaarde man. Zij vertellen ons dat ze familie zijn van de bewoner. De bewoner is een aantal weken geleden opgenomen in een zorginstelling. Door zijn lichamelijke toestand was zelfstandig wonen niet meer mogelijk, ook al kreeg hij alle hulp van instanties en deze drie bejaarde mensen. Kinderen heeft de man niet, zijn echtgenote is lang geleden overleden.

De mensen laten ons de schade zien aan het raam aan de achterzijde. Binnen ligt de inhoud van kasten en laden op de vloer. Er is een badkamer, woonkamer, slaapkamer en kleine keuken. Alles sober ingericht, in de slaapkamer de weeïge geur van urine. Wij leggen de mensen uit wat wij gaan doen. De collega gaat de aangifte opnemen, ik ga sporen zoeken.
“Je zal wel veel afdrukken van ons vinden, wij verzorgen hem en het huis” zegt één van de dames. Ik antwoord dat ik het verschil wel zal zien. Zeker bij het raampje, waardoor de inbreker naar binnen is geklommen. “Tenzij u ook altijd door dat raam naar binnen klimt, dan wordt het lastiger” zeg ik lachend. De vrouw zegt lachend en met een knipoog dat ze soms via het dak naar binnen gaat, maar dat ze dit raampje altijd overgeslagen heeft. En dat er helaas geen koffie meer in huis is. Ik zeg dat dat niet erg is en ga aan het werk aan de achterzijde van de woning, terwijl de collega in de keuken aan de voorzijde de aangifte op neemt met de drie familieleden. Wat een lieve mensen. 

Terwijl ik de afdrukken van de inbreker zoek en de sobere woonkamer inkijk word ik best een beetje boos op de inbreker. Waarom inbreken in deze kleine seniorenwoning? Het leven van de bewoner ligt al genoeg overhoop zonder dat er iemand naar binnen klimt en de kasten leeg trekt. En die drie lieve bejaarde familieleden die nu in de keuken zitten hebben al genoeg zorgen om de bewoner en zichtbaar ook met hun eigen gezondheid.

Ineens wordt er uit de keuken geroepen door één van de vrouwen: “Koude koffie is niet lekker hoor!” Ik loop verbaasd de keuken in. En zie dat er vijf kopjes koffie ingeschonken zijn. Een pak koffie blijkt opgehaald te zijn bij de buren. Want bezoek hebben en geen koffie kunnen aanbieden, dat kan echt niet bij deze mensen. Ik drink de veel te slappe koffie met de collega en de drie oudjes. Ik vertel hen dat ik fragmenten van schoensporen heb aangetroffen en een afvorming maak van de indruk in het kozijn die de schroevendraaier achterliet. En dat de inbreker handschoenen aan heeft gehad. Als ik de koffie op heb vertel ik dat ik nog even in de woonkamer moet zijn voor verder onderzoek.

In de woonkamer loop ik voorzichtig tussen oude, vergeelde foto’s en documenten die op de vloer liggen. Trouwboekje, rouwkaarten, diploma’s, vakantiesouvenirs en brieven. Het leven van de oude man ligt letterlijk op de vloer. 

Als ik daar net klaar ben met het onderzoek en mijn sporenkoffer sluit, wordt er wederom uit de keuken geroepen dat er koffie is. Oh nee, niet nog zo’n slappe bak… Maar weigeren is geen optie. Ik ga weer aan tafel zitten en drink braaf de koffie op. En vertel dat ik klaar ben met het onderzoek en dat ze alle goederen weer in de kasten mogen leggen. 
Dan zegt de man dat ze naar de woning waren gekomen om de kasten leeg te halen, omdat de bewoner nooit meer thuis zal kunnen komen.

De kasten zijn nu al leeg. Wat hulp voor deze mensen was zeker welkom. Maar deze onverwachte “hulp” had achterwege mogen blijven.



Het knippen en plakken van deze tekst is zonder mijn schriftelijke toestemming niet toegestaan. Linken mag uiteraard wel. 

donderdag 1 juni 2017

Treinleven

Na een leuke middag in Zwolle stap ik halverwege de avond in de trein naar Zutphen. Het is rustig. De paar mensen in de tweede klas coupé kijken voor zich uit of op hun telefoon. Net als ik. Niemand praat. Ik vind het prima, heb er ook geen behoefte aan. Des te opvallender is het luide telefoongesprek van de jongen een paar banken achter mij. Het is hetzelfde treinstel, maar er zit een glazen deur en glaswand tussen. En die glazen afscheiding duidt het verschil tussen de eerste en tweede klas. En ondanks het glas hoor ik alles wat hij zegt. Ik probeer mij af te sluiten voor zijn luide gesprek, maar al snel heeft hij mijn onverdeelde aandacht. 

'Ja ik zit hier gewoon in de eerste klas! Wat een luxe gek, echt niet normaal, zit hier helemaal alleen, kan elke minuut op een andere bank gaan zitten!’
Ik draai mij om. Ik zie dat hij met zijn rug naar mij toe zit en zie alleen een kort geschoren blond koppie boven de bank uit. Rond de twintig schat ik hem. Hij klinkt niet als iemand die eerste klas reist.

'Wat denk je, zit ik boven of beneden?'
Blijkbaar mag de persoon aan de andere kant van de lijn gaan raden. 
‘Jaaa, ik zit beneden! Lachen gek!’
Dat snap ik niet en de persoon met wie hij belt blijkbaar ook niet, want hij herhaalt het nog twee keer.

'Ze hebben stroomdingen hier! Waarom hebben ze die in de tweede klas niet!'
Ik heb het idee dat de jongen zwart rijdt en dat in stijl doet. Maar de toon van zijn gesprek is zo grappig dat ik er eigenlijk wel om moet lachen.

'Ik ga miljonair worden hoor! Echt waar, ik ga miljonair worden! Nou weet ik hoe rijke miljonairs reizen, kicken joh!'

Ik vind hem leuk, deze onbekende blonde jongen. Bijna kinderlijk blij omdat hij eerste klas reist en dit geluk maar al te graag wil delen met de persoon met wie hij belt.

'Die banken hè, die zitten echt veel beter hoor!'
Onwillekeurig draai ik mij om en kijk naar de eerste klas banken om te zien of daar nou echt zoveel verschil in zit. Als ik weer voor mij kijk zie ik dat de conducteur de coupé inloopt. De jongen belt gewoon door. Stiekem hoop ik dat hij de conducteur opmerkt en weg kan lopen voor hij gecontroleerd wordt. De conducteur is snel klaar met het gedeelte waar ik zit en met een 'fijne avond nog' loopt hij door naar de jongen. Ik draai mij om.

'Ja, wacht even hoor, de conducteur is er!'
Hij draait zijn hele vrolijke gezicht naar de conducteur en dan zie ik een gedeelte van zijn kleding en gezicht. Hij is het type dat mijn ouders zouden classificeren als “opgeschoten jongere” en waarvoor ik eigenlijk geen modernere term kan bedenken. Ik zie de conducteur ook wat bedenkelijk kijken en hoop echt dat hij hem geen boete geeft. Dan zie ik hoe de jongen zijn hand uitsteekt en een OV-chipkaart aan de conducteur geeft met een geprint kaartje. Blijkbaar de upgrade naar de eerste klas. Als hij gecontroleerd is belt hij vrolijk verder. Ik kijk weer voor me, wetend dat ik te snel over hem geoordeeld heb. 

In Deventer stapt hij uit. Het eerste klas gedeelte leeg, het treinstel in stilte en mij met een grote glimlach achterlatend.



Deze column is eerder verschenen in Contact Zutphen-Warnsveld.

Het knippen en plakken van deze tekst is niet toegestaan zonder mijn toestemming. Linken naar deze site mag wel. 

vrijdag 19 mei 2017

Dag blond meisje op de fiets

Dag blond meisje op de fiets. 
Ik heb geen idee wie je bent, waar je vandaan kwam of waar je naar op weg was. Dat gaat me ook niks aan natuurlijk. Maar wat ik wel weet is dat het niet veel had gescheeld of je was niet op je bestemming aangekomen. 

Ik weet ook wel dat overdag de zon zo lekker schijnt en dat de dagen snel langer worden. Maar om 22:10 uur is het toch echt al donker. Dat heb je waarschijnlijk niet eens gemerkt, zo druk was je met je telefoon. Al fietsend op je donkere fiets zonder verlichting. 
Je fietste wel netjes op het fietspad over de Deventerweg. En ik reed gewoon op de rijbaan, in mijn auto. En omdat ik met 50 kilometer per uur sneller reed dan jou, moest ik jou inhalen. Niet dat ik je zag hoor, daarvoor was het te donker en daar ging jij goed in op. Ik had dus geen idee dat ik je voorbij moest gaan rijden. Tot het moment dat jij blijkbaar wat op jouw telefoon moest bekijken. En daardoor zo afgeleid was dat je de rijbaan op fietste.

Ineens zag ik het licht van je telefoon in je linkerhand heel kort voor mij en jouw gezicht wat daardoor oplichtte. En moest ik zo hard remmen dat de gordel in mijn nek stond en ik ongetwijfeld een remspoor op de rijbaan heb achtergelaten. Gelukkig heb jij daar niks van gemerkt, want je had je oordoppen in en dus kon je ongestoord verder fietsen, muziek luisteren en je telefoon bekijken in het donker. Dat het niet veel had gescheeld of het volgende melodietje dat je zou horen was dat van de ambulance kreeg je niet mee. Ervan uitgaande dát je dan nog zou kunnen horen. 
Ik zag je nog net de rotonde op fietsen, rechtsaf slaand richting de Hanzehof. Zonder dat je je hand uitstak. Verstandig, want zonder handen aan het stuur de bocht nemen is natuurlijk erg gevaarlijk. Direct daarna slokte het duister je weer op.

Dag blond meisje op de fiets. Alsjeblieft, maak een paar lampen op je fiets. Zo duur zijn die dingen niet. Als ik je had aangereden was je telefoon kapot geweest en echt, voor de prijs van één telefoon kun je wel 50 setjes goede fietslampen kopen. Dat ik nu heel toevallig een stukje van je felle telefoonscherm zag en erachter kwam dat mijn reactievermogen best goed is en de remmen van mijn auto prima in orde, heeft je deze keer gered. Maar ik zou het er niet nog een keer op wagen, geluk schijnt een keer op te raken. 

Dag blond meisje op de fiets. Ik hoop dat je ongeschonden op je plek van bestemming bent aangekomen en dat je niet nog meer automobilisten een hartslag van 160 hebt bezorgd.
Laat je alsjeblieft zien op je fiets, je mag er zijn. En doe dan die telefoon even weg en je oordoppen uit. Dan is de kans dat je de iPhone 60 meemaakt, nog honderden of duizenden mooie liedjes kan luisteren en nog heel vaak naar leuke plekken kan fietsen een stuk groter. 

Dag blond meisje op de fiets.


Deze column is geplaatst in de krant Contact Zutphen-Warnsveld. 

vrijdag 28 april 2017

Politieblog. Oost West

Doordat we allebei verhalen schrijven over ons politiewerk leerde ik Piet Kats kennen. Hij motorrijder in Rotterdam, ik forensisch medewerker in Oost. En op een dag mag ik een dienst met hem meedraaien in Rotterdam. Als we voor een zaakje in een Rotterdamse woning zijn en even op het balkon moeten kijken vraag ik:  "Mag de deur even los?"
De bewoners kijken mij vragend aan, waarop Piet zegt: "Let maar niet op haar. Ze praat een beetje raar, daar ken ze niks aan doen, die komt uit het oosten. Mag de deur open?" De bewoner opent de deur en ik denk, maar zeg het niet: "Daar ‘ken’ ze niks aan doen, da’s lekker Nederlands…”

In het politiebureau Rotterdam Zuidplein zit een agent te tikken. "Praat maar even met hem, jullie komen uit dezelfde buurt dus praten dezelfde taal” zegt Piet. Ik geef hem een hand en vraag of hij uit de buurt van Zutphen komt. Hij zegt dat hij uit Almelo komt.
We kijken allebei verontwaardigd naar Piet en proberen uit te leggen dat Almelo een uur rijden van Zutphen ligt en echt heel anders is. Zinloos. "Het is allemaal Ooooooost" roept Piet. Hoogste tijd om Piet eens naar Oost te halen…

En zo komt Piet naar Apeldoorn om een dag forensische onderzoeken mee te lopen. Het is gelijk raak, amper binnen krijg ik het verzoek om sporenonderzoek te doen bij een boerderij in de Achterhoek waar een zitmaaier is gestolen. Piet ligt dubbel van het lachen. “Diefstal zitmaaier? Nog nooit meegemaakt in Rotterdam!” Ik leg uit dat diefstallen van zitmaaiers hier in Oost een groot probleem zijn. En dus gaan we naar de boerderij om onderzoek te doen. Waar we allebei een beker koffie van de bewoners in onze handen gedrukt krijgen. Ik neem meteen een slok en zie dan Piet argwanend in de beker en verbaasd naar mij kijken. Ik kijk hem vragend aan.
“Ja, jij drinkt dat zo op! Je weet toch nooit of ze er iets in gedaan hebben!” 
“Piet, les één in de Achterhoek: iedereen geeft je hier koffie en daar zit niks in. Hooguit wat extra vriendelijkheid. Weigeren is geen optie.”
Heel voorzichtig zie ik Piet een klein slokje nemen, om al snel daarna met een opgelucht gezicht een grote slok te nemen als hij tot de conclusie is gekomen dat er echt niks mis mee is. 

Voor nog een sporenonderzoek rijden we dieper de Achterhoek in. Onderweg zwaaien mensen en ik zwaai terug. En is Piet verbaasd over zoveel vriendelijkheid naar de politie. Bij de opengebroken woning vraag ik aan de bewoners of de schuurdeur los was en krijg gewoon antwoord, terwijl Piet wegduikt om niet in lachen uit te barsten. Dat iedereen hem raar aankijkt om zijn Rotterdamse accent deert hem niet.

Van de Achterhoek mogen we naar Harderwijk voor het volgende onderzoek. Een uur rijden. Zulke afstanden zijn voor mij normaal in Oost, voor hem in Rotterdam niet. 
Van Harderwijk gaan we naar Epe. Binnendoor. En leg ik uit dat de zwijnen de bermen zo omgewoeld hebben en dat het 's avonds echt gevaarlijk is om er te rijden vanwege die beesten. Ook die lopen niet in Rotterdam volgens Piet. Vanuit Epe gaan we terug naar Apeldoorn. De dag is om, Piet gaat retour afzender naar het westen en ik hoop dat hij een wat realistischer beeld heeft van Oost. 

Een week later zit ik ’s avonds laat thuis op de bank. En dan gaat mijn diensttelefoon. ‘Piet Kats’ zie ik in het scherm. Ik pak verbaasd de telefoon op. En hoor hem met z'n Rotterdamse accent vragen of ik alsjeblieft wil helpen want hij heeft een taalprobleem.
Even heb ik de neiging om op te hangen omdat ik denk dat hij me op z’n Rotterdams in de zeik wil nemen omdat hij met iemand uit het oosten in gesprek is. Maar dan zegt hij dat hij met collega’s naar een reanimatie is geroepen. De reanimatie is helaas niet gelukt, de hoogbejaarde vrouw is overleden. De ook hoogbejaarde echtgenoot spreekt alleen maar Spaans. 
"Jij ken toch Spaans, vertaal even alsjeblieft” zegt Piet. Ik zeg dat ik dat wel kan, maar geen erkende tolk ben. Dat blijkt niet nodig te zijn, Piet en zijn collega’s willen snel veel info en de man het nodige uitleggen, van een misdrijf is absoluut geen sprake.
Hij zet zijn diensttelefoon op de luidspreker en ik vertaal en praat met de man en krijg van hem de informatie waar familie is en hoe de laatste minuten van het leven van de inmiddels overleden vrouw zijn gegaan. Ik heb meteen sympathie voor de man, die hoorbaar opgelucht is dat hij in zijn eigen taal zijn verhaal kan doen. 

Natuurlijk hadden ze een tolk kunnen bellen, maar dat was duur en in dit geval niet handig. 
“Blijf nog maar even wakker, je ken ons mooi helpen zo” zegt Piet.
Nog een paar keer word ik gebeld. Dat ik de snikkende en mompelende bejaarde Spanjaard soms beter versta dan de Rotterdamse collega’s zeg ik ze maar niet. 

En dan gaat weer de diensttelefoon, weer Piet Kats.
"Nou je toch nog wakker bent ken je ook wel even voor de uitvaartondernemer vertalen, ik geef m'n telefoon aan hem hoor!" Even hoor ik niks en dan hoor ik toch echt Piet zeggen:
"Goedenavond, met Johan, ik ben van de uitvaartverzorger en we willen graag weten wat de wensen van meneer zijn, fijn dat je ken vertalen." 
Johan? Dit is gewoon Piet die me alsnog in de zeik neemt. De stem, het accent, de intonatie, alles is exact hetzelfde! 
Na toch even een lichte twijfel zeg ik het dan ook.
"Heel grappig Piet, hier trap ik niet in."
"Ja maar ik ben echt Johan hoor!"
"Ja daag, ik ben te wakker om hier in te trappen Piet."
Dan hoor ik hoe de man aan de andere kant van de lijn zijn best moet doen om niet te lachen in het bijzijn van de oude Spanjaard en hoor ik hem zeggen:
"Ik ben Piet z'n broer! Ik had toevallig ook dienst, ik werk in de uitvaart, dat kén toch!"
En dan krijg ik blijkbaar toch weer Piet aan de lijn die ergens weggedoken helemaal in een deuk ligt om deze verwarring. 
"Is echt m'n broer! We lijken echt heel veel op elkaar! Komt-ie weer hoor!" 

Als ik ook voor de uitvaartverzorging heb vertaald, de Rotterdamse collega's alles voor de oude Spanjaard hebben geregeld en familie onderweg is, krijg ik Piet weer aan de lijn. "Je ken nou wel gaan slapen, we zijn zo klaar hier, dank je wel.”

Lachend stap ik even later in bed. Oost west, thuis best. Zowel in oost als west, zijn de collega’s geweldig. Al praten we af en toe allemaal een beetje raar, we spreken wel dezelfde politietaal. Hulpverlenen aan hen die dat behoeven en dag en nacht voor elkaar klaar staan. 
Al klinkt dat overal een beetje anders.


Beste Piet,
Dit verhaal is niet alleen over jou, het is ook voor jou. Omdat je een prachtig mens bent, een fantastische politieman en een geweldig schrijver. Bedankt daarvoor. 

vrijdag 4 november 2016

Politieblog. Dapper



We staan in de kleine bejaardenwoning, mijn collega en ik. De sporenkoffers hebben we neergezet en we luisteren naar het verhaal van de oude vrouw. 

‘Ik was dus even in de schuur, hier achterin de tuin. Toen ik uit de schuur kwam, stond die dikke man ineens in mijn tuin. Ik ben niet zo bang hoor, ook al loop ik best moeilijk met mijn rollator. Ik heb hem gewoon gevraagd wat hij hier kwam doen. Daar had hij geen antwoord op en toen heb ik hem gezegd dat hij heel snel mijn tuin uit moest gaan!’ 

Deze dame mag dan oud zijn, bang ziet ze er zeker niet uit. De vrouw vertelt verder. 

‘De man liep gewoon hier de tuin uit. Ik ben nog weer even in de schuur geweest en daarna ben ik naar binnen gegaan. Met de traplift ben ik toen naar boven gegaan. Boven aan de trap staat mijn stok, zodat ik daar het kleine stukje nog kan lopen. Zonder kan ik niet. Ik probeerde toen de slaapkamerdeur open te doen, maar dat lukte niet. Heel raar, deze klemde ineens. Ik duwde tegen de deur aan en ineens ging de deur open en toen stond die man daar in mijn slaapkamer! Ik heb gegild en met mijn stok heb ik de man een klap gegeven. Tegen zijn dikke buik, niet tegen zijn hoofd hoor, ik wou hem niet doodslaan. Hij rende toen heel hard de trap af. Ik zag in mijn slaapkamer de lege sieradendoosjes op bed liggen. Ik ben toen naar beneden gegaan- maar ja, dat duurt even hè- en heb de politie gebeld. Die waren er snel! Maar die man was al lang weg natuurlijk. En nu komen jullie dus naar sporen zoeken?’

Ik antwoord bevestigend en zie dan ook ineens de tranen in de ogen bij deze dappere oude dame. We leggen uit wat we gaan doen. Overal waar de man is geweest gaan wij zoeken naar sporen en ook op alles wat hij heeft aangeraakt. De vrouw blijft beneden met familie, wij gaan naar boven om daar het sporenonderzoek te doen. 

Terwijl we boven bezig zijn met ons onderzoek en de vrouw beneden is met familie, zeggen wij tegen elkaar wat een ongelooflijke lafaard die dief is. Want hoe “dapper” moet je zijn om het huis binnen te gaan van een hele oude dame die slecht ter been is, die nog even van de mooie herfstdag gebruik maakt en haar achterdeur open laat staan, omdat ze zich heel veilig voelt in haar huis. En hoe stoer ben je, dat je niet alleen haar sieraden steelt, maar ook haar gevoel van veiligheid wegneemt? 

De stok bekijken we uiteraard ook, maar daar vinden we niks op van de man. Van mij had ze best een beetje harder mogelijk slaan. We hadden namelijk heel graag wat bloed, en dus DNA, gevonden op de stok. En gevoelsmatig had dat ook best een liter of vijf mogen zijn…

Copyright H.E. Schoonekamp. Zonder mijn toestemming mogen mijn verhalen niet 
gekopieerd en/of gepubliceerd worden. Linken mag uiteraard wel. 

vrijdag 7 oktober 2016

Reünie. Column voor Contact

Ineens staan ze op het speelplein van de Prins Clausschool. Drie rekstokken. Geel, aan houten palen. Met bewondering en ook een beetje jaloers kijk ik naar de klasgenoten die hangend aan één been oneindig rondjes draaien. Ik kom niet verder dan een koprol of gewoon even op de kop hangen. We zijn met 43 leerlingen de grootste klas van Zutphen. Verstoppertje, knikkeren, springen met een touw op het schoolplein. Een leuke en warme klas. Mijn liefste vriendinnetjes zijn Anna en Miranda. Later als ik groot ben word ik verpleegster in ontwikkelingslanden. Anna en Miranda blijf ik altijd zien. En de rest van de klas natuurlijk ook. Want hoe kan je elkaar nou elke dag zien en later nooit meer? 

Een uitnodiging voor een reünie van de basisschool, 24 jaar na groep acht. Enthousiast zeg ik meteen ja. Op de middelbare school zag ik een aantal klasgenoten van de basisschool nog, daarna nooit meer. Alleen Miranda is altijd gebleven.

De dag van de reünie, 24 jaar na het verlaten van de basisschool. Ineens ga ik terugkijken, krijg er zo’n “Is dit nu later gevoel” van. Veel dromen van toen niet waargemaakt, niet geworden wat ik had willen zijn of wie ik verwacht had te zullen zijn. Ineens kijk ik er tegenop om te gaan. Om die school weer binnen te stappen, de succesverhalen te horen, kinderfoto’s te bekijken. Om geconfronteerd te worden met mijn twaalf-jarige ik die van alles voor zich zag, maar geen seconde dacht aan het leven dat ik als 36-jarige nu leef. 

Twijfel om te gaan. Maar toch stap ik op de fiets. 

De rekstokken zijn niet meer geel en staan op een andere plek. Mijn fiets zet ik tegen de muur, en ik loop de school in. Het lesmateriaal is met de tijd mee gegaan. Uiteraard. Toch veel herkenning. Ik ga op het geluid af en loop het lokaal in waar ik voor het laatst als twaalf-jarige was. De eerste die ik zie is Anna. Verbazing. Een knuffel. Blijdschap. 
Iedereen die er is, herken ik meteen. Weg 24 jaar. “Hoe is het met je, wat doe je nu en waar woon je?” Natuurlijk de vragen die veel gesteld worden, maar ook de herinneringen die opgehaald worden. Niet iedereen is er. Misschien maar beter ook, want deze klas zal nooit meer compleet zijn. Negen maanden na de laatste dag basisschool verongelukte Jordien. Als iedereen er was geweest, was die lege plek nog veel groter geweest. Natuurlijk wordt over haar gepraat, niemand is haar vergeten. Veel herinneringen worden opgehaald, er wordt gelachen. Ook met de oud-klasgenoot die in een rolstoel binnen komt rijden. Weg 24 jaar. We gaan gewoon weer verder. Wel met een drankje, niet aan het rekstok.

Leraren zijn erbij. En ik zie bij hen soms verbazing over wat een aantal zijn gaan doen. Teleurstelling verbergen ze, van sommigen hadden ze meer verwacht. Van mij vast ook. Nee, echt geen VWO gedaan, de HAVO niet eens afgemaakt.

De school moet dicht, we gaan verder in de stad. Eten samen, na afloop nog een drankje. Zoveel te bespreken, zoveel herinneringen. Heel laat kom ik thuis. Plof met een glimlach nog even op de bank, kijk ineens met trots terug op de afgelopen jaren. Ervan overtuigd dat Anna niet nog een keer uit mijn leven verdwijnt. Wat waren we een leuke klas. En wat is iedereen leuk volwassen geworden. Misschien anders dan ooit verwacht. 
Maar iedereen is zo mooi zichzelf geworden. 

maandag 3 oktober 2016

Vieze spelletjes.

Dat een telefoon allang niet meer alleen om te bellen is, is algemeen bekend. Behalve alle social media bijhouden, de krant lezen of het weerbericht bekijken, zijn er natuurlijk nog de spelletjes. 

Kort nadat ik de trotse bezitter was geworden van mijn eerste smartphone heb ik Wordfeud op de telefoon geïnstalleerd. Voor wie het niet kent: Wordfeud is gewoon scrabble. En dat kun je tegen bekenden spelen, maar ook tegen onbekenden door het spel een willekeurig iemand een speluitnodiging te laten sturen. Vervolgens heb je maximaal 72 uur de tijd per beurt om een woord te leggen. Heel simpel, heel leuk, geen echte tijdsdruk. 

Ik speelde het spelletje met bekenden, maar ook weleens met onbekenden. En kwam er al snel achter dat als ik mij laat op de avond verveelde voor de televisie en het spel een willekeurig iemand liet kiezen, ik behalve enthousiaste Wordfeud spelers ook rare vragen kreeg. Want dat kan ook. Chatten via Wordfeud. Dan was er een speluitnodiging door een onbekende geaccepteerd en stond er ineens in m’n scherm: “Wat heb je aan?” of “Heb je zin in me?”

Wordfeud is dus echt één van de sufste spelletjes die er is. Dan verwacht je toch niet dat er mafketels gebruik van maken die denken hun seksleven wat leuker te maken. Mijn profielfoto was (en is) een foto van een konijn. Naam is gewoon het eerste gedeelte van m’n e-mail destijds. Niks bijzonders. Geen reden dus voor idioten om een poging te doen mij tot hele andere spelletjes te verleiden. 

Veel spelletjes heb ik even gespeeld, maar al snel was de lol eraf, Wordfeud doe ik nog steeds. Blijft leuk. Al heb ik wel geleerd om willekeurige uitnodigingen naar onbekenden te sturen vóór 20:00 uur. 

Nachtdienst op een doordeweekse nacht op de meldkamer van politie. Na een druk en hectisch begin wat enkele uren doorging, is het ineens stil. Te vroeg voor de krantenjongen, te laat voor het uitgaanspubliek. Een collega haalt nog koffie en thee voor iedereen. We kletsen wat en dan is iedereen al snel stil. Bijna iedereen kijkt op de telefoon, even Facebook bekijken of een spelletje spelen. Ondertussen de schermen voor ons strak in de gaten houdend. En koffie drinken om niet in slaap te vallen. 

Ineens hoor ik collega Marjon heel hard roepen: “Nou jaaaa zeg, weer zo’n idioot!” Iedereen kijkt op. “Ik nodig gewoon wat willekeurige mensen uit voor Wordfeud en krijg nu voor de zoveelste keer de vraag of ik geil ben!” Iedereen is meteen klaarwakker. Ik zeg dat mij dat ook wel eens is gebeurd, maar Marjon zegt dat het haar wel heel vaak wordt gevraagd. Iemand vraagt wat voor foto ze daar gebruikt. “Gewoon van de hond. En mijn gebruikersnaam is mijn voornaam, eerste letter achternaam en geboortejaar. Niks mis mee dus, gewoon Marjonr69.” De hele meldkamer ligt letterlijk dubbel van het lachen. Het duurt even voordat Marjon snapt waarom wij zo moeten lachen. Haar gebruikersnaam verandert ze diezelfde nacht nog. En niemand had nog koffie nodig om niet in slaap te vallen….

maandag 12 september 2016

Hondenbaan. Politieblog voor Vrouw.nl

‘En opletten hė! Als jullie het huis niet bewaken ruil ik jullie in voor een hond.’ Drie paar ogen onder drie paar hele lange oren kijken me suf aan. Duidelijk niet van plan te gaan doen wat ik ze vraag. Leuk die konijnen, maar als er een inbreker komt heb ik meer vertrouwen in de goede sloten dan in hen. Ik sluit de deuren af, stap in de auto en rijd naar het politiebureau. Tijdens de briefing krijg ik te horen dat ik forensisch onderzoek mag gaan doen in drie verschillende woningen waar ingebroken is. 

Op het eerste adres woont een vriendelijk echtpaar. Ik sta met hen in de woonkamer waar de man uitlegt wat er is gebeurd. Ze zijn een avond uit geweest. Bij thuiskomst zagen ze dat de achterdeur was opengebroken en het hele huis was doorzocht. ‘Ik wou dat de hond wat waakser was’ zegt de man. Hond? Ik heb geen hond gezien. En ook niet gehoord toen ik aanbelde. De man roept vervolgens de naam van het dier en achter de bank komt ineens de grootste hond vandaan die ik ooit heb gezien. Om bang van te worden. De hond kijkt even vriendelijk op om dan weer te gaan liggen. Onwillekeurig schiet ik in de lach en zeg dat de hond geen carrière in het verschiet heeft als politiehond.

Als het sporenonderzoek klaar is rijd ik door naar het volgende adres waar ik wel luidkeels wordt begroet door een klein keffertje dat zich meteen laat horen als ik aanbel. Het hondje heeft waarschijnlijk ook flink geblaft toen de inbreker in huis was, want hij klinkt behoorlijk schor. Dat blaffende honden niet bijten heeft hij ook bewezen, de inbreker kon gewoon zijn gang gaan.

Ik heb blijkbaar een hondenbaan vandaag. Want ook op het derde adres wonen twee honden. Twee flinke rottweilers. Nooit zou ik het aandurven om zomaar een huis binnen te gaan waar twee rottweilers lopen. Ik ben niet zo dapper. De inbreker wel. Als je dan toch zo dapper bent, ga dan wat leuks doen met je leven. Ga bungeejumpen, wordt straaljagerpiloot of glazenwasser van wolkenkrabbers. Ga in ieder geval niet inbreken. Helaas vonden de rottweilers het blijkbaar wel gezellig dat de inbreker er was, net zoals ze het heel gezellig vinden dat ik er ben. Kwispelend lopen ze vrolijk om mij heen terwijl ik het opengebroken raam onderzoek met dactyloscopische poeders, op zoek naar vingerafdrukken. De eigenaresse kijkt hoofdschuddend toe.

Eenmaal thuis zie ik dat mijn huisje net zo is als dat ik het achtergelaten heb. En dat heb ik niet aan de konijnen te danken. Goede sloten en een alarm zijn echt de beste manieren om inbrekers buiten de deur te houden. Want de meeste huisdieren vinden bezoek heel gezellig, ook het ongewenste bezoek. Wat dat betreft is er geen verschil tussen een grote stoere hond of een flink konijn. 

Toch heb ik stiekem de hoop dat als er ooit een inbreker komt, de konijnen geluisterd hebben met die grote oren van ze en hun tanden in de inbreker zetten in plaats van in mijn kabels… 


zondag 4 september 2016

Herinneringen. Politieblog voor Vrouw.nl

Ik sta in een kleine tussenwoning waar ingebroken is. Mijn sporenkoffer staat op de vloer, de lamp heb ik in mijn hand. Tegenover mij een ontroostbaar ouder echtpaar. Ze laten mij de chaos in de woning zien; de inhoud van bijna alle kasten en laden ligt op de vloer. Enveloppen zijn open gescheurd, foto’s zijn vertrapt. Sieradendoosjes, kleding, bankpapieren en tekeningen van de kinderen. Hun hele geschiedenis, hun hele leven, ligt letterlijk op de vloer. Aan mij de taak om daar sporen van een dader op of tussen te vinden. Op een witte envelop met een zwarte rand zie ik een schoenspoor van een inbreker. De vrouw barst in huilen uit als ze het ziet. Het is de rouwkaart van haar vader. Als ik de lege sieradendoosjes onderzoek zijn ze beiden in tranen. De trouwringen van overleden ouders zijn weg. Net als de zilveren dasspeld die hij kreeg bij zijn pensioen en de parelketting van haar overleden zus. Ik doe alles wat ik kan om zoveel mogelijk sporen van de daders te vinden zodat zij hopelijk opgepakt kunnen worden en de spullen terugkomen bij deze lieve mensen. 

De waarde van de gestolen goederen interesseert hen niet. Daarvoor zijn ze wel verzekerd. De herinneringen die eraan hangen, daar gaat het om. Herinneringen zijn niet in geld uit te drukken en niet te vervangen. Geen inbreker die daar aan denkt of rekening mee houdt. En daarmee dus onvoorstelbaar leed aanricht. 

Als ik een paar uur later thuiskom zie ik op de deurmat de krant liggen die mijn vader altijd brengt op zaterdag. En een envelop met onmiskenbaar zijn handschrift. Geen enkele e is hetzelfde geschreven, zelfs de drie xxx onderaan zien er alledrie anders uit. Een glimlach op mijn gezicht, ik schrijf namelijk net zo onregelmatig als hij. Op de envelop staat geschreven dat zijn broer op bezoek is geweest en een foto voor mij heeft meegebracht. Nieuwsgierig open ik de zorgvuldig gesloten envelop en haal de foto eruit. 

Ik zie op de foto een jonge vrouw met een raar kapsel en een veel te grote bril. Ze houdt trots een baby in haar armen, een meisje. Lachend kijkt de jonge vrouw in de camera, ondertussen het hoofdje van de dikke baby goed ondersteunend. Naast haar zit een man. Een man met donker, net iets te lang haar. Hij wordt kaal, dat is bovenop zijn hoofd al te zien. Hij heeft een donkere baard en kijkt niet in de camera. Hij kijkt vol liefde naar de baby die de vrouw in haar armen heeft. De meubels op de achtergrond zijn van donker hout. Veel boeken en planten, in de kast een boeren-bontservies. 

De baby, dat ben ik. De jonge mensen zijn mijn ouders in 1980. Mijn moeder heeft al jaren een andere kapsel en haar brillen gaan met de mode mee. Van zijn baard heeft mijn vader lang geleden al afscheid genomen. Hij is veel kaler geworden, het donkere haar is inmiddels grijs.

De foto lijst ik in en zet ik op de kast. Onbetaalbaar deze foto, een mooie herinnering. Ik moet weer aan de mensen denken waar ik eerder deze dag was. En hoop dat we bij hen ook de herinneringen terug kunnen brengen. 

maandag 8 augustus 2016

Politieblog. Hendrik Jan van Houten.


Twaalf jaar ben ik, als je in 1992 met een buurjongen ineens opduikt bij ons knikkerveldje in de straat in Zutphen. We zitten allebei in groep acht, maar op verschillende basisscholen. Je bent de eerste op wie ik ooit verliefd ben. Geen idee wat ik er mee moet, behalve hopen dat je weer eens met de buurjongen mee komt zodat ik met je kan knikkeren. Je bent beter dan ik. Aan het einde van de middag heb je al mijn knikkers. Je bent anders dan alle anderen met wie ik knikker. Want je geeft de gewonnen knikkers terug. En soms nog een paar extra ook. Jij speelt niet om de knikkers, jij speelt om het spel. Niet passend bij een twaalf-jarige. Niet alleen daarom vind ik je speciaal. Je bent ook een mooi jongetje. Met je bruine haar en je mooie ogen en je altijd vriendelijke karakter. Ha-Je noem je jezelf. Hendrik Jan is denk ik niet stoer genoeg… 

Een paar maanden later gaan we naar dezelfde middelbare school. We komen in andere brugklassen, maar hebben wel contact in pauzes en buiten schooltijd. We doen wat alle brugklassers doen. Wat rondhangen, de stad in, op de fiets naar het zwembad, blijven hangen en kletsen op het schoolplein na schooltijd. Niks bijzonders eigenlijk. Maar heel bijzonder voor een stel brugpiepers die de wereld aan het ontdekken zijn.
In de zomervakantie tussen de brugklas en de tweede klas word je veertien en dat word gevierd. Je woont in de binnenstad van Zutphen en voor de deur is een trapje. En daarop staat een groot bord waarop jouw feestje is aangekondigd. Het is een leuk feestje, één van de eerste feestjes waar geen ouders bij zijn.

Zoals het gaat met middelbare scholieren gaan we allebei ons eigen weg. Andere vrienden, andere interesses. Al ben ik nog eens verliefd op je en zoenen we ook wel eens. Na de middelbare school hebben we geen contact meer, we komen elkaar niet meer tegen. Vaak vraag ik me af wat je bent gaan doen. Sommige mensen vergeet ik gewoon niet omdat ze een bijzonder plekje hebben.

En zo word het 2003. Ik werk dan twee jaar bij de politie. Op een avond zit ik voor de televisie naar Tros Vermist te kijken. En ineens hoor ik jouw naam en zie ik jouw foto. Nog steeds een mooie jongen. Maar je bent vermist. 

Jij? Vermist? Zo’n vrije, bijzondere jongen? 
Ik zit op de bank, maar heb het gevoel dat ik in een gat val als ik hoor over psychoses en dat je medicatie nodig hebt. 
Jij?? Die leuke jongen die ooit zijn knikkers aan me gaf? In het laatste contact dat er is geweest met je familie heb je ze verteld dat je op Mallorca bent en daar werkt. En sindsdien is het stil, je familie krijgt geen contact meer met je. Ze doen alles om je te zoeken. Je bent vermist en je wordt gemist. Heel erg gemist. De uitzending blijft in mijn hoofd spoken. 

Waar ben je toch? 
Wat is er met je gebeurd?
Wat heb je gedaan?

Een paar jaar later ga ik bij de forensische opsporing werken. Al snel begin ik daar met DNA afname van familieleden van langdurig vermisten. Mensen die al in de jaren ´80 en ´90 vermist zijn geraakt en waarvan het DNA van de familieleden in de DNA databank vermisten moet worden opgenomen. Een speciale DNA databank waarin DNA van vermisten of familieleden van vermisten is opgeslagen. Maar ook het DNA van ongeïdentificeerde lichamen of delen van lichamen. Immers, wat in de vorige eeuw niet kon, kunnen we nu wel. We staan niet stil bij de politie, we ontwikkelen nieuwe technieken. Om misdrijven op te lossen, maar ook om onbekende doden een naam te geven. Niemand mag zonder naam in een graf liggen. Op de internetsite van vermisten kijk ik vaak naar je, hopend dat je er ineens niet meer tussen staat omdat je gevonden bent. Je bent buiten mijn werkgebied als vermist opgegeven. En daarom ga ik niet met je vermissing aan het werk. Niet actief in ieder geval. Op Facebook volg ik de site die je familie heeft opgezet op de voet.

Tot 2013. Ik sta op het punt om een lange reis te maken, maar krijg de vraag of ik nog even DNA wil gaan afnemen in een vermissingszaak. Er is een gezichtsreconstructie gemaakt van een man die jaren geleden overleden is aangetroffen. En in die zaak is een naam genoemd. Jouw naam Hendrik Jan van Houten. En van je moeder moet DNA afgenomen worden. En omdat ze in mijn werkgebied woont, wordt aan mij gevraagd of ik het wil doen. Even twijfel ik. Wil ik echt naar je moeder? Maar de twijfel is snel weg. Ik ga zelf. Ik wil niet eens dat iemand anders gaat. 
Uiteraard heb ik de foto’s van de gezichtsreconstructie gezien, maar ik heb geen seconde aan jou gedacht. Je lijkt er niet op, je bent het niet. Maar het DNA van jouw familie moet wel in de DNA-databank vermisten worden opgenomen. Want misschien ben je wel ergens anders dood aangetroffen en lig je ergens begraven zonder naam. Ik wil er niet aan denken, maar ben realistisch genoeg om te beseffen dat het waar kan zijn. Dus ik bel je moeder en ik kan meteen naar haar toe.

Ze woont allang niet meer in het huis in de binnenstad. Ik bel aan, legitimeer mij als zijnde politie. En ik zeg meteen dat ik je gekend heb. Ze is verbaasd. Maar ook blij dat ik je heb gekend. We drinken wat en ik vertel haar mijn herinneringen aan jou. En ik leg haar uit waarom ik nu bij haar op de bank zit. Wat een lieve vrouw. Ik laat haar de foto’s zien van de gezichtsreconstructie. Ook zij is ervan overtuigd dat jij het niet bent. Maar om daarover zekerheid te krijgen heb ik haar DNA nodig. En ook om aan te tonen danwel uit te sluiten dat je ergens anders gevonden bent. Dus ik neem haar wangslijm af zodat daarvan een DNA-profiel gemaakt kan worden. We praten nog wat en dan ga ik weg. Het DNA van andere familieleden elders in het land is door andere collega’s afgenomen. Het onderzoeksteam zal contact houden met je familie.

Ik vertrek voor langere tijd naar Zuid-Amerika, maar zodra ik internet heb kijk ik op nieuwssites of er al iets bekend is. Maar dat gebeurt niet. Zelfs nu, drie jaar later, weten we niet wie de onbekende dode is. En we weten ook niet waar jij bent Ha-Je.
Waar ben je toch? Waar ben je heen gegaan? Wat is er gebeurd? Alle knikkers in de wereld heb ik er voor over om jou te vinden. Je wordt gemist. Door je lieve familie. Door je vrienden. 
Ik ben geen familie en geen vriend. Misschien weet je niet eens meer wie ik ben. Maar ik wil dat je terug komt. En niet omdat ik bij de politie werk en dus zaken op moet lossen, maar wel gewoon omdat ik Henrieke ben. En nog heel goed weet wat voor bijzonder persoon je was. 
En hopelijk nog steeds bent.
Ergens…

Voor meer informatie over de vermissing van Hendrik Jan van Houten en tips ga naar:


Deze blog is geplaatst met toestemming van de familie van Hendrik Jan.